Door: Sven Gerrets Fotografie: ANP
Artikel
16

Longread: Nieuwe Revu's hete festivalzomer

Sven Gerrets bezocht voor Nieuwe Revu negen festivals in vier landen en beleefde een zomer vol drank, drugs en muziek. ‘Mijn enige regel: geen grenzen, alles kan en mag.’

Ik begin het seizoen nog rustig, met het driedaagse Cactus Festival in de buurt van Brugge. Met mijn ervaring van drukke campings in het achterhoofd neem ik geen risico en reis vroeg af richting het zuiden. Als ik aankom blijkt dat ietwat overdreven. Ik ben nog net niet de eerste die het veld oploopt, maar het grasveld ligt volledig open en in de dagen die volgen, zal het terrein zich amper voor de helft vullen.

Het festival zelf is al even relaxed. Er is één podium waar afwisselend de acts te zien zijn. Op vrijdag doen Buffalo Tom en Triggerfinger wat van ze verwacht wordt, en zonder nachtprogramma maak ik het niet extreem laat. Op zaterdag kabbelt het festival lange tijd voort. Ik zie mijn langlopende crush op zangeres en actrice Charlotte Gainsbourg halverwege haar matige show verdampen, maar gelukkig knalt Tune-Yards er een fantastische show uit en is het prettig kennismaken met de Vlaamse Témé Tan, een soort Stromae 2.0.

Na wat gin-tonics bij de tent komt er schot in de zaak, als ik door een vrijwilliger van de camping word uitgenodigd voor zijn verjaardagsfeestje. Met goedkope biertjes, praatgrage Belgen en onbekende muziekjes schieten we de nacht in. Om 04.00 uur overvalt me een nuchter moment. Ik kijk om me heen en kan niet anders dan glimlachen om de troosteloosheid van mijn omgeving. Een schuurtje van zo’n drie bij vier meter, kale muren, lange tafels vol flessen en een simpele geluidsinstallatie. Via de deuropening naar achteren zie ik de honderden kratten bier die nog opgestapeld staan voor consumptie. De treurigheid van het leven ligt hier afgebladderd op de betonnen vloer, de geur van verschaald bier en tienerzweet hangt dik in de lucht. Even ben ik terug op een schuurfeest in het dorp waar ik opgroeide. Hoor ik hier thuis, gaat door mijn hoofd.

Voor ik daar het voor de hand liggende antwoord op kan bedenken, komt een van mijn vrienden voorbij en drukt me een nieuw drankje in handen. Twee bier en een cocktail later hebben de nevelen van dit hellehol weer een prima feestlocatie gemaakt. Iedereen stuitert uren door op de muziek. Pas als het buiten langzaam licht begint te worden druipen de meeste mensen af, tot er rond 06.00 uur in de ochtend nog maar een handjevol mensen over is. Van mijn groep ben ik de enige overgeblevene. Met een buurvrouw van de camping dans ik tot de muziek stopt en we weigeren te gaan slapen. We zijn rebellen van de nacht en conformeren ons niet aan de standaard!

Het ochtendgloren heeft de warmte inmiddels uit de lucht gezogen en we nestelen ons dicht tegen elkaar aan op een van de picknickbankjes, terwijl we onze biertjes sippen en kletsen over wat we nog willen met onze levens. Om 08.00 uur kruip ik toch mijn tent in, een verslagen oproerling, om er twee uur later door een genadeloze zon weer uitgebrand te worden. Net als de rest, die kreunend en steunend de alcohol vervloekt. Ons kamp is een verzameling trieste hoopjes mens, willekeurig over luchtbedden gedrapeerd in de buitenlucht. Het duurt even voor mensen überhaupt weer normaal geluid kunnen voortbrengen. Dan mijmeren we over sterfelijkheid en wassen de katers weg met nieuw bier.

De rest van de dag doen we rustig aan. We bekijken wat bandjes, lummelen in de hangmatten en drinken beduidend minder dan de voorgaande dagen. Spontaan ontstaat het plan om op de terugweg een dagje van de Gentse Feesten mee te pikken. Binnen tien minuten is onderdak geregeld en de volgende middag rijden we op gehuurde fietsen het centrum in. We slenteren een poosje door de drukte en strijken neer op een plaats waar de hele dag een interactieve, geïmproviseerde theatershow bezig is. Met wat pintjes erbij is dat prima toeven. Als in de avond een lange sessie groepskaraoke volgt, slaan bij een festivalgenoot de stoppen door. Vol overgave klimt hij op een tafel om onder luid gejoel van het gehele plein Bonnie Tyler mee te blèren. Een serie alcoholische versnaperingen brengt ons uiteindelijk tot vroeg in de ochtend op de overvolle pleinen van het fraaie historische centrum, waar we gelukkig nog net helder genoeg zijn om een stel zakkenrollers af te wimpelen.

Vier dagen later zit ik samen met een vriend als een sardientje in de pendelbus van station Alkmaar naar het terrein van Liquicity, een drum and bass-festival. Het is in de bus veertig graden en de chauffeur heeft geen idee waar hij ons moet afzetten. Als we eindelijk kunnen uitstappen, blijkt het het ritje meer dan waard. Het festivalterrein is een grote, uitgestrekte vlakte, met subtiel glooiende grasvelden. Overal is ruimte, overal is wat moois te zien. We ontmoeten een vriend die een dag eerder al is gegaan. Het festival duurt het hele weekend, maar omdat ik niet zeker weet of twee dagen van dit specifieke gen re iets voor mij is, ga ik slechts een dag. Stom, want al na twee fantastische dj’s merk ik dat ik heel blij word van deze muziek. De set van Koven overtuigt me van het feit dat ik volgend jaar het hele weekend van de partij ben.

Inmiddels hakken de biertjes er door de hitte en te weinig eten goed in. Als me vervolgens een pilletje wordt aangeboden door een vriend, galmt mijn zomermotto door het hoofd. Zo neem ik voor het eerst van mijn leven drugs, op zoek naar de ultieme vrijheid. Het blijkt 2cb en we nemen het alledrie tegelijk in. Bij een vriend begint na een half uur de grond te bewegen, maar bij mij gebeurt er niks. Een half uur later, niks. Teleurgesteld ga ik weer aan het bier. Weer een half uur later begint het alsnog te werken. De zon zakt en er voltrekt zich een overrompelend schouwspel aan de hemel. Honderden kleuren verzamelen zich en de schaal van de lucht lijkt tegelijk groter als kleiner te worden, als bij zo’n filmeffect waar een camera vooruit rijdt en tegelijk uitzoomt.

Op het dak van een klein hutje val ik achterover. Terwijl ik op mijn rug lig, voeren de wolken een ingenieus ballet op. Ik lig hier niet op een dak op een festivalweide, ik lig hier in het hart van het universum, in het oog van een stille storm waar tijd en ruimte in elkaar overvloeien. Ik ben het centrum, ik ben de nietigheid gepersonifieerd. De zon verdwijnt, maar visueel wordt het er niet minder op. Grote lampen werpen langgerekte schaduwen over het terrein, terwijl lasers door optrekkende nevels snijden. Het is alsof ik door een expressionistisch filmdecor beweeg. Opeens is het vier uur later en voor ik het weet is mijn Liquicity vervlogen.

Om mijn domme inschattingsfout over de lengte van mijn verblijf op Liquicity goed te maken, las ik doordeweeks een extra festivaldagje in. Over Landjuweel had ik al veel goede verhalen gehoord, dus fiets ik naar Ruigoord, Amsterdam. Na veertig minuten door de verzengende hitte fietsen, kom ik aan in een paradijs van groen en festiviteiten, allemaal gesitueerd rondom de kerk die precies 45 jaar geleden werd gekraakt. In elk bosje is iets te doen. Jonge bandjes vertonen hun kunsten, in tipi’s kan je cacao-rituelen ondergaan en overal waar je kijkt is dans, theater en spiritualiteit. Wat opvalt is de diversiteit van het publiek. Van rondrennende kinderen tot bejaarden met dreadlocks, van Kenianen in klederdracht tot Japanners in kimono. De speciaalbiertjes en aanhoudende hitte laten de dag in een gelukzalige slow motion verlopen.

Een paar dagen later sta ik op Milkshake, waar het publiek minstens zo divers is. Ooit was ik op de eerste editie en het festival is in de tussengelegen jaren flink gegroeid. Gelukkig heeft het daarbij wel de eigenheid van toen behouden. Hoewel ikzelf niet bepaald fashion-risico’s heb genomen met mijn outfit vandaag, word ik blij van alle mensen die wél bijzondere outfits aanhebben. Of juist helemaal niks. Het is bijzonder hoe iedereen hier zichzelf kan zijn, en soms zelfs een beetje meer. Was het maar vanzelfsprekend dat dat ook buiten de hekken van het Westerpark kon. Na een middag bier, beats en bekenden stort ik al vroeg op de avond in. Hoe leuk het festival ook is, ik slenter wat en kan niet meer meekomen met het feest. Met tegenzin taai ik vroegtijdig af.

De volgende dag vertrekken we voor vijf dagen naar een uitgestorven bergdorpje om wat rust te pakken, want de dubbelklapper Sziget/Lowlands moet nog komen. Na twee dagen welkome verveling blijkt de festivalzomer ons in te halen. Feest is het motto, dus feest zullen we leven. In een al even uitgestorven bergdorpje een paar koeien verderop blijkt namelijk op woensdagavond Open Air Rock te zijn. Met een heuse Queen-coverband. Die kans kunnen we niet laten glippen, dus staan we de volgende dag met smakeloze biertjes tussen de lokale bevolking naar een vierderangs Freddy Mercury-imitator te kijken. De overige dagen hebben we nodig om hiervan bij te komen. Op vrijdagavond zijn we weer thuis, de volgende ochtend is het al vroeg weer op pad om een plekje aan de kant te bemachtigen voor de botenparade van Pride Amsterdam, traditiegetrouw een weekend lang feest met oude en nieuwe vrienden.

Dan, met de katers van Pride nog zachtjes spinnend in de bovenkamers, is het maandagochtend tijd om in te laden voor het eerste deel van de grote finale. Voor tien dagen Sziget wordt aan spullen in de auto gepropt. Met zijn drietjes trekken we richting The Isle of Freedom in de Donau, geklemd tussen de delen Boeda en Pest van de Hongaarse hoofdstad. Het voordeel aan ruim veertien uur in de auto zitten? Airco! Een hele dag uit de hittegolf is een feestje op zich, zeker met de weersverwachting voor de komende week. Overdag zal de temperatuur niet onder de dertig graden komen, in de nacht niet onder de twintig.

Het een speellijst van het festival als soundtrack tuffen we gestaag door Duitsland, Tsjechië en Slowakije. Onderweg handel ik wat werk af. Ik merk dat mijn festivalmentaliteit mijn normale leven is binnengesijpeld. De dagen tussen de festivals ben ik efficiënt, voel geen stress, handel vanuit wat op het moment goed voelt en maak me niet druk om wat anderen denken. Volledig relaxed regel ik vanaf de achterbank een complete draaidag voor na de festivals. Voorheen plukte dagelijkse beslommeringen nog aan me, waardoor het ‘nu’ vertroebelde. Halverwege de zomer lukt het me steeds beter om alles los te laten en mezelf volledig in het heden onder te dompelen. Het valt me ook nu pas op dat ik gestopt ben met nagels bijten, iets dat me nog nooit eerder gelukt is. Totaal ontspannen ben ik klaar voor de climax.

Zo nu en dan probeert iemand op de achterbank een dutje te doen, maar dat lukt slechts sporadisch. Om bijna 06.00 uur in de ochtend wandelen we slaapgebrekkig het eiland op. Net buiten het zicht van een van de hoofdpaden vinden we een hoekje met wat bomen die de hele dag voor schaduw kunnen zorgen. Dan is er een gat. Als ik wakker word, voel ik me uitgerust en uitgeslapen. Het blijkt 02.00 uur in de nacht te zijn, en om eerlijk te zijn kan ik me niet herinneren dat ik naar bed ben gegaan. Acht jaar eerder gebeurde me op Sziget hetzelfde. Toen werd ik ’s morgens rond 05.00 uur wakker op de grond, in het midden van een van de hoofdtenten, zittend op de vloer met mijn rug tegen een meisje. Onze slippers waren gestolen.

Ik val weer in slaap tot de volgende ochtend. Voor de tent vind ik een kampgenoot met een fles in zijn handen. ‘Die kreeg ik vannacht van iemand. Zei dat het gin was, maar ik weet niet of ik het vertrouw. Waarom zou je zomaar een hele fles gin geven?’ Een half uur later wandelen drie Israëlische jongens ons kamp binnen en gaan zitten alsof ze er thuishoren. ‘You guys were so drunk yesterday.’ De gin hebben ze voor ons meegenomen toen we er de vorige dag lallend om vroegen. We bakken eieren, zetten koffie en hebben er instant drie vrienden bij.

Die dag vult het gebied rondom onze tent zich langzaam met andere gasten. Een Australiër die alleen op pad is help ik met zijn tent, en ook hij haakt aan bij ons kamp. In de rij ontmoette hij een Canadees, solo op avontuur, tuurlijk hebben we daar nog een plekje voor. Twee Italianen, een Ierse en een Engelse maken het kamp compleet. Onze camping is officieel vip, wat betekent dat het beveiligd is en we een zwembad hebben. In de middag dobber ik een gesprek tussen twee vrouwen binnen. Na even gekletst te hebben stel ik me voor, waarop de IJslandse vrouw droogjes antwoordt: ‘Dat weet ik, we hebben elkaar gisteren al ontmoet.’ Ook zij worden opgenomen in de groep. Het bouwen van een menselijke piramide in het water blijkt een prima teambuilding-activiteit.

Vanaf dat moment gaan we samen het terrein op om bandjes te kijken. Een klein heuveltje met perfect zicht op het hoofdpodium dopen we om tot The Hill, en vanaf dat moment is The Hill-gang geboren. Op de derde avond zijn we gezamenlijk op stap als iemand het briljante idee heeft om whisky-shotjes te doen. Van Gorillaz krijgen de meesten niks meer mee.

Er ontstaat een bijzondere symbiose. Waar iemand in de ochtend eerst schoorvoetend een slok koffie aanneemt en vervolgens een half broodje ei, draait iedereen na enkele dagen volledig organisch mee in ons kamp. De een snijdt fruit voor in de yoghurt en muesli, de ander de champignons en paprika voor bij de gebakken eieren, nog iemand anders doet de afwas of zet koffie. Allemaal zonder dat ook maar iemand ergens om hoeft te vragen.

Er gaan een paar dagen voorbij van samen lummelen bij het zwembad, bandjes kijken, dronken worden en doorhalen met het nachtprogramma. Wat je ook wil zien, er is altijd iemand die met je mee wil en iedere nacht blijft hetzelfde clubje doordansen tot om 05.00 of 06.00 uur de muziek stopt. Vooral de eerstelingen beginnen halverwege de slijtage te voelen en ‘I’m not going to survive this’ is een veelgehoorde kreet. Maar de doorgewinterde Sziget-ganger weet dat je lichaam na dag vier op een compleet ander systeem overgaat. Het keert terug naar de kern van het bestaan, naar een reservetank vol oerkrachten.

Iedere dag verdiept het contact zich. Samen raken we ontroerd bij Mumford & Sons, gaan we los op Parov Stelar en leren we meer en meer over elkaars leven. Net over de helft van het festival zitten we aan het ontbijt. De zon schijnt tussen bladeren door en terwijl ik rondkijk overvalt me een intens gevoel van geluk. Dit is waar het leven om draait, verbinding en oprecht contact. We lijken voorbestemd om met precies deze mensen op dit moment in tijd bij elkaar te komen. Iedereen is warm en open en met iedereen heb ik gedurende de week zulke bijzondere, persoonlijke momenten dat het lijkt alsof ik ze al mijn hele leven ken. En zal blijven kennen.

Daardoor, en omdat de 2cb eerder deze zomer prima bevallen is, voel ik me veilig genoeg om op zaterdag aan te sluiten bij een clubje dat xtc neemt. Ik ben niet de enige newbee, wat de onderlinge band verder versterkt. De constante euforie die we toch al ondervonden wordt uitvergroot en iedereen voelt zich larger than life. De een ontwikkelt een kwebbeldrang, anderen bijzondere stopwoordjes en grappige tics. De meeste raken in een dansmodus, maar ik wil juist de drukte uit. Samen met twee kampgenoten dwaal ik over de rustige delen van het eiland, waar de verlichting ons in vervoering brengt en we bijzondere gesprekken hebben met andere dwalende zielen. Op het strand kijken we lig- gend naar een heldere sterrenhemel en praten over angsten en dromen, over de liefde en wat ons mens maakt.

Het bijzondere aan festivals, en in dit geval Sziget, is dat je dat soort ervaringen ook zonder drugs hebt. De volgende nacht hebben we met het Italiaanse stel een even bijzonder gesprek. Uren praten we over wat we hebben meegemaakt in het leven en hoe het ons als mens gevormd heeft. Over waarom het buiten de grenzen van festivals minder vanzelfsprekend is om met elkaar om te gaan zoals wij nu met elkaar omgaan. We krijgen een schilderij van ze, dat ze de dag ervoor speciaal voor ons op het festival gemaakt hebben, en moeten beloven dat we ze komen opzoeken in Italië. De vrouw van het koppel vertelt haar aangrijpende levensverhaal.

De rest van de tijd zien we het festival door haar ogen. Alles is nieuw, alles is overweldigend en mooi, een paradijs om een vervloekt verleden uit te wissen. Iedere keer als ik haar ogen groot zie worden bij weer een nieuwe ontdekking op het eiland ontroert het me. Het blijft me verbazen hoe snel en makkelijk je op een festival tot iemands kern doordringt. Ik neem mezelf voor om dat ook na de festivals vaker te proberen.

Samen sluiten we die nacht nog aan bij de rest om los te gaan op de scheurende dubstep van Borgore en ons te verwonderen over de bijbehorende lichtshow. Iedereen danst met elkaar, valt elkaar om de nek en lijkt nooit meer weg te willen. Op de laatste avond organiseren we een afscheidsborrel en de hele groep is aanwezig. Na een afsluitend rondje flip-cup nemen we geëmotioneerd en met veel knuffels afscheid. Van 01.00 tot 03.30 uur proberen we wat te slapen, om 04.30 uur is ons kamp afgebroken en om 06.00 uur rijden we Boedapest uit. Onze Hill-gang verspreidt zich weer over de wereld, maar de appgroep blijft tot op de dag van vandaag doordraaien en de eerste concrete plannen om elkaar op te zoeken zijn al gemaakt.

We komen op woensdag om 23.00 uur aan in Amsterdam en vallen in een comateuze slaap. De droogte op Sziget zorgde voor een constante stofwolk die over het eiland hing, en net als alle anderen heb ik een heftige hoest ontwikkeld. Stoomdouchen en vitamines injecteren, terwijl ondertussen de wasmachine overuren draait. Uitpakken, opnieuw inpakken en de volgende ochtend richting Lowlands. Daar is het thuiskomen. Ik ben opgegroeid naast het festival en dit is inmiddels de achttiende editie die ik bijwoon.

Geen betere om de zomer mee af te sluiten, zeker omdat een f link deel van mijn vrienden hier is. Ons kamp is achttien personen groot en ouderwets gezellig. De omschakeling van Sziget duurt helaas wel even, waardoor de vrijdag op de automatische piloot gaat. De zaterdag wordt nog grotendeels verslapen, maar als ik om 14.30 uur eindelijk op gang kom, is het als vanouds. Die avond maak ik mijn drugshattrick van de zomer. Een van de nieuwelingen in ons kamp heeft mdma bij zich en samen halen we uiterst plezierig de nacht door.

Op zondag worden we collectief geroerd bij Rag’n’Bone Man, golf ik mee op de psychedelische rock van King Gizzard & the Lizard Wizard en spacen we met de hele groep bij San Holo. Het einde van de nacht zonder ik me af van de rest. Ik zie alle appjes langskomen over waar iedereen is en zal zijn, maar ik slenter in mijn eentje over het terrein en laat ondertussen de hele zomer nog eens voorbijkomen. De onwaarschijnlijke lijst aan bands die ik zag, de vrienden die ik maakte, de nieuwe ervaringen die ik had, alles heeft zich diep in me genesteld. De intense vrijheid die ik voel neem ik mee, de echte wereld in, om te delen.

Gerelateerd nieuws