Door: Ryan Claus Fotografie: Alex Barron Hough
Interviews
9

Longread | Ali Campbell: 'Ik schaam me voor UB40'

Als Ali Campbell in 1978 UB40 opricht, blijkt de keuze voor de reggae-sound een gouden formule waarmee hij uiteindelijk meer dan 70 miljoen platen zal verkopen. Toch stapte de frontman blut uit zijn eigen band.

De bandnaam van UB40 is afgeleid van het Britse formulier om een ww-uitkering aan te vragen en kenmerkend voor de jonge jaren van Campbell en zijn bandgenoten in Birmingham. Na school komen zij, net als het merendeel van de jongeren in Engelse steden, in de massale werkeloosheid van de jaren 70 terecht.

‘Vanaf mijn vijftiende was ik drie jaar lang werkloos, op een aantal flutbaantjes na,’ herinnert de zanger zich. ‘We hadden in onze buurt een grotere kans om geld te verdienen met muziek dan met een echte baan. Maar we waren te blut om instrumenten te betalen, dus bleef het een lange tijd bij dromen. Toen ik Bob Marley in 1975 in Birmingham zag spelen, wist ik dat ik kost wat kost muzikant wilde worden.’

Campbell kan zijn droom realiseren door een bizarre ‘meevaller’ op zijn zeventiende verjaardag. ‘Ik was in een kroeg aan het feesten toen een oudere gozer een opmerking maakte over reggaemuziek. Ik raakte met hem in gevecht en dat liep behoorlijk uit de hand. Hij duwde een bierglas in mijn gezicht, waardoor mijn oor door de helft ging, mijn wang werd opengereten en ik bijna mijn oog verloor. Het slechte nieuws was dat ik met negentig hechtingen in mijn gezicht rondliep. Het goede nieuws was dat mijn broer als advocaat een schadevergoeding van 4500 pond wist los te peuteren.’

Van het geld koopt de 17-jarige Campbell een gitaar voor zichzelf en een drumstel voor zijn vrienden. In de zes maanden hierna sluiten Ali, zijn broer Robin en hun vrienden zichzelf op om hun instrumenten te leren bespelen. De grap om hun band UB40 te noemen, blijkt achteraf een gouden zet. ‘Er liepen drie miljoen werklozen rond met zo’n formulier,’ blikt Campbell terug. ‘Die waren instant fan, alleen al vanwege onze naam. Dat heeft ons aardig op weg geholpen.’

Wat vervolgens begint met een beetje experimenteren en heel veel blowen in een muffe, leegstaande kelder in een buitenwijk van Birmingham, mondt na een half jaar uit in een debuutalbum dat acht miljoen keer over de toonbank gaat, mede dankzij de wereldhit Food For Thought. ‘We wisten niet eens precies wat we deden,’ vertelt Campbell over het productieproces van de eerste drie UB40-platen. ‘Als je die albums nu weer luistert, hoor je dat de instrumenten niet eens goed zijn afgestemd.’

Toch is de onconventionele reggae-act van blanke zangers vanaf de eerste minuut een commercieel succes. Dat reggaemuziek weinig aanhang kende in Engeland heeft Campbell nooit tegengehouden. ‘We hielden zoveel van die muziek, dat we het hele land en daarna de hele wereld die passie wilden meegeven. Veel mensen vroegen ons waarom we reggae maakten. We zijn er mee opgegroeid in onze buurt van immigranten, er werd niks anders geluisterd. Totdat ik naar de middelbare school ging in een ander deel van Birmingham had ik nog nooit van David Bowie gehoord. Bovendien waren onze grootste hits daarvoor al grote hits geweest in de reggae-scene, dus voelde het niet als een risico. Die nummers, waar wij mee opgroeiden, wilden we laten horen aan de wereld op Labour of Love. Onze visie was om van reggae een populair muziekgenre te maken, dat is aardig gelukt. Kijk maar naar Rihanna, Justin Bieber en Pharrell Williams. Die gebruiken allemaal reggaebeats in hun muziek. De invloed van reggae is momenteel groter dan ooit, we leven nu in het gouden reggaetijdperk. Af en toe valt er nog steeds een stukje glas uit mijn gezicht, maar ik ben heel blij dat we destijds op mijn verjaardag hebben lopen knokken.’

Evenals de rest van de band is Campbell tot op de dag van vandaag een enthousiast gebruiker van wiet en hasj. Sinds zijn eerste joint als nieuwsgierige tiener heeft de reggae-artiest het groene spul nooit meer opzij gelegd. ‘Toen ik zeventien was, tripte ik helemaal de pan uit van Nigeriaanse wiet die een vriend had meegenomen. Ik dacht dat ik gek werd. Daarna ben ik mijn hele leven op zoek gegaan naar diezelfde high. Sindsdien ben ik uiteraard altijd stoned. Ik blow 24/7. Alleen voor een optreden ben ik nuchter, want ik weet dat mensen geld uitgeven om mij te zien. Pas na de show steek ik er weer eentje op.’

Desondanks wil de zanger jongeren meegeven om langer te wachten met blowen dan hij zelf heeft gedaan. ‘Je kan het beste wachten met dit spul tot je 25 bent. Dan zijn je hersenen uitgegroeid en zijn de schadelijke effecten minder zwaar. Het is tenslotte gemaakt om je lui te maken. Als muzikant zit ik in de uitzonderlijke positie dat ik stoned kan worden onder werktijd. Dat is maar voor weinig anderen weggelegd. Beter zorg je dus dat je eerst je leven op orde hebt, om jezelf daarna elke avond met een lekker jointje te belonen.’

Zoals het een echte reggae-artiest betaamt, promoten menig UB40-songs van de legalisatie van de populaire softdrug. ‘Wat er nu in Amerika gebeurt met de legalisatie van wiet is fantastisch,’ stelt Campbell. ‘Het zal ook in Engeland gebeuren. Ze hebben bij ons nu een heel ziek jongetje van 6 jaar weten te genezen met cannabisolie, dus de interesse groeit. Wij zingen al veertig jaar dat wiet legaal moet worden, dus nu mag het wel een keer gaan gebeuren.’

In de jaren 80 en 90 domineren de catchy liedjes van UB40 de internationale hitlijsten. Campbell en zijn band toeren de wereld over en spelen jaarlijks in honderden uitverkochte concertzalen en stadions. Het overweldigende succes en de miljoenen ponden betekenen een gigantische omslag in de levens van de vriendengroep uit de Britse arbeidersklasse. ‘We verdienden miljoenen, dus we gaven ook miljoenen uit. We hadden geen van allen degelijk advies gekregen hoe met geld om te gaan. Tijdens onze carrière is veel geld verdwenen in drank, wiet en cocaïne. We hebben gefeest als gekken. Toen Red Red Wine uitkwam, waren we opgelucht dat het een nummer 1-hit werd, omdat we allemaal blut waren.’

Op het absolute hoogtepunt van de supergroep in 1993, met 10 miljoen verkochte edities van het album Promises and Lies en een twee jaar durende wereldtoer, begint het bandleden op te vallen dat er veel te weinig geld overbleef. Tot grote ergernis van frontman Campbell. ‘We verkochten de Wembley Arena uit en we kregen er geen stuiver voor terug. Er werd ontzettend veel gesjoemeld. De tientallen miljoenen ponden die onze tour had opgeleverd verdween in een zwart gat. Niemand wist waar dat geld heenging en niemand stelde er verder vragen over.’

Het management van de band tast in het duister en claimt nooit te hebben achterhaald waar de gigantische geldstroom van een van de meest succesvolle acts van de jaren 90 naartoe verdween. Oud-manager Peter Price heeft zijn ergernis uitgedrukt over zijn pogingen om de groep samen te brengen in een zoektocht naar opheldering. ‘Tijdens elke meeting waren de bandleden stuk voor stuk te stoned om te luisteren. Ze bleven maar blowen en luisterden niet naar de vragen die wij hen stelden,’ aldus Price in een documentaire van BBC over de band.

Na jaren van onbeantwoorde vragen barst bij Campbell de bom. ‘Ik stelde vragen aan de managers, aan bandleden, aan personeelsleden, maar ik kreeg van niemand een eerlijk antwoord. De sfeer in de band was ruk en werd steeds erger. De saxofonist zei tegen me dat ik de leugens van het management maar moest slikken. Toen besefte ik dat er ook een aantal bandleden de boel aan het naaien waren. De volgende dag heb ik de band een brief geschreven met daarin een aankondiging van mijn vertrek.’

Na een laatste show in Oeganda loopt Campbell in februari 2008 na dertig jaar trouwe dienst van het podium, om hierna nooit meer terug te keren als frontman van UB40. De achtergebleven bandleden besluiten om Ali’s broer Duncan, die dertig jaar eerder bedankte voor een plek in de band omdat zij volgens hem gedoemd waren om te falen, te vragen als leadzanger van de legendarische muziekgroep. Voor de oude, vertrouwde stem van UB40 was hiermee de oorlog verklaard aan zijn oude band, of the dark side, zoals Campbell tegenwoordig aan hen refereert.

‘Toen ik nog in de band zat en de geldproblemen aankaartte, adviseerde Duncan mij om uit de band te stappen. Vervolgens neemt hij zelf mijn rol over! Hij belde me dronken op om te zeggen dat hij de nieuwe zanger is. Ik was enorm teleurgesteld. Wij waren vroeger heel close, maar sinds dat telefoontje heb ik hem niet meer gesproken. Duncan kan geen reggae zingen, hij is verschrikkelijk. Wat Robin en Duncan en de andere bandleden nu al tien jaar met de band doen, is een belediging voor mij, voor de fans en voor reggae-muziek. Ik schaam me voor UB40 als ik weer iets van hen op YouTube zie. Ze zeggen dat ik hen zwart probeer te maken, maar het is andersom. Fuck the dark side. Het allerergste is dat mensen ons verwarren met hen.

Kort na Campbells vertrek in 2008 ziet toetsenist Mickey Virtue, eveneens UB40-lid van het eerste uur, de bui al hangen en volgt twee maanden later het voorbeeld van de leadzanger. In 2013 stapt ook trompettist Astro uit de band wegens dezelfde financiële frustraties, waarna het drietal Ali, Mickey en Astro zich verenigt in een vernieuwde versie van UB40. Beide formaties toeren sindsdien onder dezelfde, wereldbenoemde naam de hele wereld over.

Wrang dieptepunt was de stomtoevallige programmering van beide acts op dezelfde dag in Dubai van enkele jaren geleden. Kort hierna klagen Robin en Duncan hun broer aan voor het onrechtmatige gebruik van de naam UB40, een zaak die wegens te dure advocaten aan beide kanten nooit tot een uitspraak van de rechter is gekomen. ‘Ze proberen mij ervan te weerhouden mijn eigen bandnaam te gebruiken,’ klinkt Campbell verbitterd. ‘Die naam is van niemand. Het was een werkloosheidsformulier, dus vrij om te gebruiken. Wij zorgen dat we op elke poster onze eigen namen erbij zetten, zodat mensen weten dat ze de echte UB40 te zien zullen krijgen.’

Op zijn 59ste voelt Campbell zich weer on top of the game. ‘Na veertig jaar zijn we nog steeds de beste reggae-act van het moment. We hebben het weer enorm naar onze zin, we toeren de hele wereld over en we maken nog steeds goede reggaemuziek. We verkopen meer platen dan the dark side, daar ben ik erg blij mee. Ik verkeer in de renaissance van mijn carrière.’